contact       sitemap       over CSV

Column uit het Onderwijsblad

In het Onderwijsblad nummer 12 van 14 juni 2008, beschrijft de auteur Lachesis in de rubriek Column een geval van discriminatie/racisme tijdens een les levensbeschouwing en de hierop volgende aanpak/reactie van de docent.

Haat
Tijdens een les levensbeschouwing krijgt het groepje van Aysen een opdrachtenkaart over het jodendom. De les wordt gegeven door twee eerstejaarsstudenten. Als Aysen de opdrachten leest schrikt ze. Ze schrikt zelfs zo erg dat ik onwillekeurig opkijk tijdens het lezen van het lesvoorbereidingsformulier. Ook de leerlingen van haar groepje kijken verbaasd naar haar gezicht. Aysen is zich van deze aandacht niet bewust. Ze volgt de stagiaire die de opdrachtenkaarten uitdeelt met priemende ogen. Deze legt de kaart over de islam in het groepje van Lisette.
Dan draait Aysen zich naar haar groepsgenoten toe. '"Ik haat joden", zegt ze fel. Niemand zegt iets. Ze begrijpen het niet. Aysen draait zich weer om en roept Lisette. "Wij willen die kaart", zegt ze op dwingende toon. Lisette kijkt verbaasd naar haar opdrachtenkaart. "Waarom", vraagt ze. "Omdat ik een moslim ben", antwoordt Aysen. Lisette haalt haar schouders op en kijkt de andere kant op.
De stagiaires instrueren de leerlingen intussen over de wijze waarop ze te werk moeten gaan. Het groepje van Aysen kijkt geen tel in hun richting. Ze hebben een probleem dat hen lijkt te verlammen. Aysen kijkt naar de opdrachtenkaart alsof het een heel vies vodje is.
Rens besluit dat er iets moet gebeuren. Hij staat op, pakt de kaart en loopt naar het groepje van Lisette. Het groepje kijkt bevreemd op. De stagiaires niet. Zoals het echte eerstejaars betaamt is hun aandacht louter gericht op het verloop van de les. De les gaat prima. Er zijn alleen nu al twee groepen die geen moment in hun richting kijken. "Wat kom je doen?", vraagt Lisette hardop. Rens buigt zich naar haar toe en vraagt vriendelijk of hij de kaart mag omruilen. Aysen kijkt opgewekt naar zijn verrichtingen.
Ik richt mij op. "Rens, breng die kaart eens terug," interrumpeer ik. "Ja maar …", antwoordt hij. "Ik snap wel wat je doet maar neem hem toch maar weer mee," zeg ik op besliste toon. Rens loopt terug naar zijn plaats.
De stagiaires hebben hun verhaal amper onderbroken tijdens dit intermezzo. Ik wenk Aysen. Nukkig loopt ze naar me toe. "Wat is er aan de hand", vraag ik. "Ik maak die opdrachtenkaart niet", zegt ze boos. "Waarom niet," vraag ik. "Omdat ik joden … omdat mijn vader joden haat", antwoordt ze. "Heeft je vader ook gezegd waarom hij joden haat", informeer ik. "Ja, dat moet hij van de Koran", zegt ze. "Echt waar", vraag ik verbaasd, "staat dat er echt in? Noem eens een paar namen van joodse mensen die jij kent?"  Aysen wordt rood. "Eh …", stottert ze. "Vertel me dan eens wat ze allemaal gedaan hebben dat ze zo gehaat moeten worden en dat jij niets van hen wilt weten", vervolg ik. Ze aarzelt. "Dat weet ik eigenlijk niet", antwoordt ze dan.
"Ga die opdrachtenkaart nou maar gewoon maken", zeg ik, "je bent hier op school om over allerlei dingen wat te leren". Ze knikt en loopt terug naar haar plaats. Een half uur later zie ik haar heel aandachtig de informatie die ze samen met haar groepsleden verzameld heeft op een groot vel papier schrijven en tekenen. "Ik doe die kandelaar wel", roept ze enthousiast. Tijdens de presentatie voert ze het hoogste woord. Ze lijkt totaal te zijn vergeten wat ze ook alweer haten moet.
"Hebben jullie nog een beetje meegekregen wat er aan het begin van jullie les gebeurde?", vraag ik aan het eind van de dag aan de stagiaires. Ze kijken me glazig aan. Gebeurde er wat dan?

Bron: het Onderwijsblad, nummer 12, 2008, column