Wat werkt niet:
- Stel geen open vragen als ‘wat vinden jullie ervan?’ Dat vraagt om vooroordelen.
- Stel geen suggestieve vragen als ‘mag je dingen verbieden in een vrij land?’ Het antwoord is natuurlijk ‘nee, tenzij.’
- Ga niet moraliseren en de leerlingen met allerlei goedbedoelde argumenten een bepaalde kant op leiden. Het effect is averechts.
- Gebruik geen stereotyperingen en veralgemeniseringen (‘altijd, nooit, die mensen’) als voorbeeld.
- Houd je eigen oordeel voor je, tenzij het bedoeld is om leerlingen uit hun tent te lokken of tenzij leerlingen ernaar vragen.
- Laat je niet meeslepen door eigen verontwaardiging, verdriet of angst. De leerlingen zijn emotioneel betrokken vanuit hun eigen achtergrond of kunnen het niet begrijpen.
Wat werkt wel:
- Check wat leerlingen weten via concrete vragen en verzamel zo veel mogelijk materiaal: ‘wie heeft erover gehoord, wat is er gebeurd en wat zijn de feiten?'
- Onderscheid direct feiten van meningen en gevoelens door ze onder verschillende rubrieken op het bord te schrijven. Doe dit met alle zaken die door elkaar dreigen te lopen.
- Zet vraagtekens achter dingen die u niet zeker weet en laat leerlingen de informatie opzoeken.
- Denk van te voren na over een stelling of vraag die prikkelt of bedenk die samen met de leerlingen voordat de discussie begint.
- Geef leerlingen gelegenheid om gevoelens te uiten en te vertellen wat de gebeurtenis voor hen betekent als die hen sterk raakt. Doe dit niet als die hen niet persoonlijk raakt.
- Gebruik uw eigen mening, emoties en reactie als instrument voor de manier van lesgeven. Selecteer wat wel of niet bruikbaar of zinvol is voor leerlingen.
- Formuleer van te voren een doel: wat wilt u bereiken bij de leerlingen? Kijk of dit haalbaar is en welke vorm erbij past.
- Overleg met collega’s hoe jullie de situatie het best kunnen bespreken.
Bron: artikel uit: Help ik verkleur, uitgave van praktijkblad Van twaalf tot achttien