Heb je een vraag over sociale veiligheid of is er een calamiteit op school? Neem dan contact op met ons Adviespunt.
adviespunt@schoolenveiligheid.nl 030 285 66 16 Meer informatie
Heb je een vraag over sociale veiligheid of is er een calamiteit op school? Neem dan contact op met ons Adviespunt.
adviespunt@schoolenveiligheid.nl 030 285 66 16 Meer informatie
Een grapje, een zucht of het woord ‘homo’ als scheldwoord: het lijkt misschien klein. Toch kunnen zulke opmerkingen en gedragingen bijdragen aan een onveilige sfeer op school. Vooral lhbtiqa+ leerlingen en studenten kunnen hierdoor geraakt worden. Jolien Geerlings, senior onderzoeker Aanpak Discriminatie bij Movisie, legt uit hoe dat komt en hoe gendernormen bijdragen aan deze onveiligheid. Ook vertelt ze wat onderwijsprofessionals kunnen doen om de sociale veiligheid te vergroten.
Geerlings werkte mee aan het dossier Wat werkt bij de preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag en lhbtiq+ geweld? (2025) van Movisie en Rutgers waarin wetenschappelijke kennis over oorzaken, gevolgen en effectieve aanpakken is samengebracht. Volgens Geerlings gaat lhbtiqa+ geweld niet alleen over fysiek geweld. Ook pesten, uitsluiten, discriminatie en kwetsende opmerkingen horen erbij.
Geerlings noemt de piramide van geweld. Onderaan staan kleine gedragingen, zoals grapjes, rollende ogen, zuchten of iemand buitensluiten. Deze gedragingen worden ook wel microagressies genoemd.
“Als je niets doet aan alle kleine gedragingen en grensoverschrijdingen, kan dat opbouwen tot grotere vormen van geweld. Juist op school zijn deze kleine signalen vaak zichtbaar en is belangrijk dat onderwijsprofessionals hierop reageren.”

De gevolgen, ook van kleine gedragingen, kunnen voor lhbtiqa+ leerlingen groot zijn. Soms blijven leerlingen liever thuis omdat zij zich op school niet veilig voelen. Dat kan leiden tot slechtere schoolresultaten, schooluitval en psychische klachten.
Net als alle jongeren zijn lhbtiqa+ jongeren volop bezig met het ontdekken van hun identiteit. Maar wanneer je op basis van die identiteit gediscrimineerd wordt, is de impact erg groot.
Waarom krijgen lhbtiqa+ leerlingen en studenten vaker te maken met uitsluiting en geweld? Geerlings is daar duidelijk over: “Omdat ze niet voldoen aan de norm.” Volgens haar krijgen kinderen al jong ideeën mee over hoe meiden en jongens zich zouden moeten gedragen. Jongens zouden stoer moeten zijn. Meiden zouden lief en zorgzaam moeten zijn. Ook wordt vaak automatisch gedacht dat jongens verliefd worden op meiden en andersom. Wie buiten die verwachtingen valt, kan negatieve reacties krijgen. “Alles wat als queer kan worden gezien, valt buiten de gendernorm en buiten de heteroseksuele norm,” legt Geerlings uit.
“Hoe sterker mensen vasthouden aan vaste ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid, hoe groter de kans dat zij negatief reageren op mensen die daarvan afwijken”.
Die normen beperken trouwens niet alleen lhbtiqa+ leerlingen. Alle leerlingen kunnen er last van hebben. Jongens kunnen druk voelen om altijd stoer te doen, meiden kunnen druk ervaren om zich te schikken of niet uit te spreken. En meiden kunnen minder ruimte ervaren om te kiezen voor techniek of leiderschap, terwijl het voor jongens moeilijk kan zijn om voor een zorgend beroep te kiezen.
Een praktische stap om gendernormen te doorbreken is volgens Geerlings het gebruiken van counterstereotypen. Dat zijn beelden en verhalen die tegen vaste verwachtingen ingaan. “Het gaat erom dat je probeert te laten zien dat dat niet de enige optie is. Laat bijvoorbeeld vrouwen zien bij technische beroepen en mannen in een zorgende rol. Gebruik ook voorbeelden van verschillende gezinsvormen of queer rolmodellen. Maar denk ook aan hoe de rolmodellen die je gebruikt zich gedragen. Laat jongens zien die met hun vrienden praten over hun onzekerheden of een meisje dat haar klas vol trots en zelfvertrouwen vertelt over haar prestaties.
Dat kan volgens Geerlings al met kleine aanpassingen, zoals:
Ook taal doet ertoe. “Gebruik niet de zin ‘meiden kunnen dit net zo goed als jongens’. Daarmee bevestig je onbedoeld dat jongens de norm zijn. Zeg liever: ‘Iedereen kan hier goed in worden.’”
Geerlings adviseert scholen om gendernormenBekijk de 12 tips om gendernormen in de klas te doorbreken te bespreken in de klas. Vraag leerlingen bijvoorbeeld wat zij ervaren bij een counterstereotype voorbeeld. Wat is daar verrassend of anders aan? Wat zegt dat over wat mensen vaak typisch vrouwelijk en mannelijk vinden? Waar komen die ideeën vandaan? Wat gebeurt er als iemand niet aan die verwachtingen voldoet? En wie heeft daar last van?
In het primair onderwijs kan het gesprek gaan over speelgoed, kleuren en beroepen. In het voortgezet onderwijs over groepsdruk, relaties en sociale media. In het middelbaar beroepsonderwijs kunnen stages, beroepsbeelden en de omgang met collega’s en klanten aan bod komen.
“Het is belangrijk dat leerlingen leren dat verschillende keuzes en manieren van leven mogelijk zijn. Tegelijk moet duidelijk zijn dat gedrag dat een ander onveilig maakt niet wordt geaccepteerd.”
Een tweede belangrijke factor om de sociale veiligheid te vergroten is investeren in de relatie tussen de onderwijsprofessional en de leerling. Leerlingen moeten kunnen denken: deze persoon ziet mij en begrijpt mij. Volgens Geerlings hoeft een leraar niet alles te weten over de leefwereld van jongeren. Oprechte interesse is belangrijker.
“Stel open vragen en luister zonder direct te oordelen. Vraag bijvoorbeeld hoe het weekend was, wat een leerling leuk vindt of wat diegene online volgt. Let daarbij ook op stille leerlingen. Als je al je leerlingen langsgaat, zijn er vaak een paar van wie je eigenlijk niet zo veel weet. Juist met die leerlingen kan een gesprekje veel betekenen.”
“Een warme relatie maakt het ook makkelijker om elkaar aan te spreken op gedrag. Dat geldt voor leerlingen, maar ook voor collega’s onderling.”
Daarnaast noemt Geerlings sociale normen als een belangrijke knop waar scholen aan kunnen draaien. Leerlingen moeten weten welk gedrag wel en niet wordt geaccepteerd. Je werkt aan het vergroten van de sociale veiligheid door als leraar – en als team – een positieve sociale norm te stellen ten aanzien van gender- en seksuele diversiteit én deze consequent te bewaken. Bijvoorbeeld door als leraar te zeggen: ‘In deze klas respecteren we elkaar en gebruiken we ‘homo’ niet als scheldwoord.’
Volgens Geerlings helpt het wanneer deze norm door het hele team wordt gedragen. Reageert de ene leraar wel op het woord ‘homo’ als scheldwoord en de andere niet? Dan blijft de norm onduidelijk.
Geerlings ziet dat niet iedere onderwijsprofessional zich zeker voelt bij het onderwerp genderdiversiteit en seksuele diversiteit. Sommige leraren missen kennis of vragen zich af wat het thema met hun vak te maken heeft. Ze benadrukt dat onveiligheid doorwerkt in iedere les. “Een leerling die zich onveilig voelt, kan zich minder goed concentreren en leren. Daarom is het belangrijk dat ook collega’s met elkaar in gesprek gaan. Welke normen dragen we uit? Hoe reageren we op grapjes en kwetsende opmerkingen? Kunnen we elkaar aanspreken?”
De schoolleiding kan tijd en ruimte maken voor deze gesprekken. Maar onderwijsprofessionals kunnen ook zelf klein beginnen. Geerlings adviseert om vooral bondgenoten te zoeken: één of twee collega’s die samen iets willen proberen. Pas lesmateriaal aan, bespreek een lastige situatie of maak afspraken over taalgebruik. Deel daarna met andere collega’s wat het heeft opgeleverd.
Wil jij ook op de hoogte blijven van de actuele ontwikkelingen rondom sociale veiligheid in het onderwijs? Volg ons dan op LinkedIn!