Adviespunt
Winkelwagen

In de docuserie ‘100 dagen voor de klas’ komen duidelijke voorbeelden voorbij van schoolsituaties waarin sociale veiligheid een rol speelt. Zou je zelf ook zo handelen – of juist heel anders en waarom? School & Veiligheid bekeek de serie door een ‘sociale veiligheidsbril’ en geeft per aflevering tips om verder te lezen.

Leren van een serie

Programmamakers Tim den Besten en Nicolaas Veul tonen in de zesdelige documentaireserie ‘100 dagen voor de klas’ hoe het is om leraar te zijn op een middelbare school. Hiervoor mogen ze als ‘buitengewoon stagiair’ lesgeven op scholengemeenschap ISG Arcus in Lelystad: Tim geeft Nederlands op het vmbo en Nicolaas geschiedenis en maatschappijleer op vmbo + havo/vwo. Op deze manier verkennen ze de wereld van hun collega’s en leerlingen. De serie werd uitgezonden door de VPRO in het voorjaar van 2020 en blijft te bekijken.

Diverse scènes in de serie zijn heldere praktijkvoorbeelden over dilemma’s, moeilijkheden en kansen op het gebied van sociale veiligheid op school. School & veiligheid beschreef voor iedere aflevering tenminste één zo’n scène. Herken je als onderwijsprofessional ook dit soort situaties? En hoe vind je dat er in de serie gehandeld wordt? Deze vragen kun je aan jezelf stellen, of het er eens over hebben met collega’s of met studenten aan de lerarenopleiding. Per aflevering verwijzen wij naar verdiepende materialen en artikelen die je kunt gebruiken om de sociale veiligheid binnen de school te versterken.

1. Waar zijn we aan begonnen?

In de eerste aflevering van deze docuserie zien we hoe Nicolaas Veul en Tim den Besten beginnen aan hun avontuur: het duo wordt ingewijd als leraren. Daarbij worden ze door hun nieuwe collega’s gewaarschuwd dat het zwaar zal worden, maar dat niet alleen. Ook wordt ze op het hart gedrukt dat het een ontzettend mooi beroep is. De rector van de school hoopt voor Veul en Den Besten “dat ze de kleine gesprekjes met leerlingen mee gaan maken die het onderwijs zo rijk maken”. Ook wenst hij dat ze in de komende vier maanden voor minimaal drie leerlingen de docent gaan zijn waaraan ze later op hun dertigste zullen terugdenken met de gedachte: “Ja, met meneer Veul, dat was wel echt te gek”.

Want naast lesgeven draait het in het onderwijs ook om de relatie die je met leerlingen aangaat: leerlingen het gevoel geven dat ze er mogen zijn. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar hoe je dit aanpakt blijft een actieve zoektocht.


2. Voor de leeuwen

In de tweede aflevering worden Tim en Nicolaas ‘voor de leeuwen gegooid’: ze mogen zelfstandig hun eerste les geven. Bij Nicolaas gaat zijn geschiedenisles aan vwo 1 goed, de docent geschiedenis is zelfs onder de indruk. De tweede les maatschappijleer aan vmbo 4 gaat daarentegen moeizaam, hij wordt uitgetest. Nicolaas vraagt advies aan afdelingsleider Kees Reijneveld, die hem antwoordt: “Een groep is een roedel. Dus als ik met de vingers knip, moeten zij gaan kwijlen”. Nicolaas uit zijn bedenkingen: het klinkt alsof je leerlingen kunt africhten – en past dat in onderwijs waarin de leerling centraal staat en kritisch denken gestimuleerd wordt? Volgens Reijneveld past dat wel degelijk. Hij betoogt dat in een groep allerlei soorten kinderen zitten, die allemaal tot hun recht moeten kunnen komen. Dat kan alleen in een bepaald soort veiligheid. En die veiligheid hangt af van de leerkracht. Hiervoor is het belangrijk dat je voor de groep streng en strak moet zijn en de regie moet voeren. Maar dat er dan ook ruimte is om voor het individu heel empathisch te zijn, aldus Reijneveld.

Tim struggelt in de tweede aflevering met een andere vraag. “Wil ik wel die strenge meester zijn die kinderen eruit stuurt, of wil ik gewoon vrienden zijn met de leerlingen? En past deze rol wel bij mij?” Tim merkt op dat hij vooral gefocust is op lekker-leuk-en-gezellig-met-de-leerlingen, maar hij weet dat het uiteindelijk gaat om goed lesgeven en leerlingen wat bijbrengen. Misschien moet hij hierover toch ook een beetje de serieuze Tim ontdekken.

Het wordt de twee stagiairs duidelijk dat je als beginnend leraar flink op de proef wordt gesteld en wordt je geconfronteerd met je eigen karakter. Hierbij worden je goede en slechte eigenschappen uitvergroot. Lesgeven is dus vooral: leren over jezelf en over wie je wilt zijn.


3. Tot hier en niet verder

In de derde aflevering ervaren Nicolaas en Tim dat lesgeven vraagt om pedagogisch vakmanschap. Beiden krijgen te maken met leerlingen die geen aandacht hebben en die niet luisteren. Dat voelt ongemakkelijk en dat is ook te zien in hun houding; hun eigen onrust wordt gekopieerd door de klas. Ze vragen advies aan hun begeleiders. De antwoorden die ze krijgen zijn: “Het komt voor dat een klas je gezag niet accepteert, maar dat kun je herstellen. Je hoeft niet superstreng te zijn, maar wel strikt. Wees je bewust van je rol en wat de leerling en de groep nodig heeft.” Tim en Nicolaas moeten dus leren om ‘leider van de klas’ te zijn.

In de enige ruimte waar ze niet zenuwachtig naar binnen gaan, de lerarenkamer, praten ze met collega Carlos. Hij vertelt hen hoe belangrijk het is om authentiek te zijn: “Leerlingen zijn als honden, ze ruiken je angst. Daarom maak ik afspraken en benoem ik het speelveld. Ik tolereer niet dat leerlingen daarbuiten komen. Ik durf kwetsbaar te zijn, maar ken wel degelijk grenzen.” Nicolaas en Tim zien dat Carlos inderdaad een natuurlijk overwicht en een stevigheid in zich heeft en vanuit kracht voor een groep staat.

Leraar zijn vraagt om vakmanschap. Het is nodig dat je gezag uitstraalt én kwetsbaar kunt zijn. Dat je de verbinding kunt maken tussen kennisoverdracht en contact zodat je een goede omgeving biedt aan leerlingen die willen leren. Het is echter ook belangrijk dat een beginnend docent terecht kan bij een ervaren collega voor feedback en aanmoediging. Zo wordt de school een veilige plek voor iedereen.

 


4. Achter de maskers

In de vierde aflevering zien we dat begrenzen en uitnodigen een vak apart is: een kernvaardigheid om in de klas een veilige sfeer te creëren. Op ‘dag 53 voor de klas’ hebben Nicolaas en Tim al beter geleerd om duidelijke grenzen te stellen. Toch vergeet Tim nog wel eens de goede toon aan te slaan. Zoals in de les over een kwetsbaar onderwerp als ‘gescheiden ouders’. Wanneer een leerling – zelf met gescheiden ouders – Tim blijft uitdagen, kan Tim alleen nog maar begrenzen en stuurt hij hem uiteindelijk de klas uit.

Begrenzen is een vaardigheid waarmee je duidelijk kunt maken dat bepaalde woorden niet oké zijn, zoals kwetsende en discriminerende woorden. Dit is te zien in de les over discriminatie waarin leerlingen vertellen dat op school best vaak de woorden ‘zwarte bosneger’ en ‘homo’ worden geroepen. Leraar Bjorn bespreekt met de klas hoe die woorden vaak als grap zijn bedoeld, maar diep in iemands hart niet zo overkomen. In de klas is veel herkenning. Hoe belangrijk dit soort termen voor mensen kunnen zijn, blijkt ook wanneer Tim met twee leerlingen patat gaat halen voor de klas. Onderweg vertelt een van hen welke impact het op haar heeft gehad dat ze op school zo vaak ‘skelet’ werd genoemd.

Negatieve woorden blijven begrenzen – en daarmee de negatieve lading blijven ontkennen – geeft een positief signaal af. Positief zijn helpt. Zo ontdekt leerling Charlotte op internet dat de blije leraar-stagiair Nicolaas op jongens valt. Deze positieve leraar blijkt voor haar de juiste persoon te zijn om bij uit de kast te komen. Als Nicolaas haar zelfvertrouwen hierover prijst, zegt ze: “Of je accepteert het (homoseksualiteit) of niet – en dan mag je weggaan”. Hoewel op haar school vaak de uitroep ‘homo!’ klinkt, kan Charlotte dat gedrag op dit moment ‘accepteren’.

De grenzen van integer fysiek contact op school, worden in deze aflevering ook besproken. Economieleraar Carlos knuffelt veel met de leerlingen. Hij zegt: ‘Ik weet dat ik me net zo veilig voel bij hen als zij bij mij’. Zijn collega’s vragen zich of iedereen dit zo zou kunnen. In het team en met de leerlingen is het thema al eens besproken: hoe ‘aanrakerig’ kunnen we zijn?


5. Slijpen en polijsten

In de vijfde aflevering wordt de wereld rondom de klas zichtbaar. Na de hobbels in de voorliggende periode verkennen Nicolaas en Tim ook wat zich buiten de groep afspeelt. Door voorspelbaar en betrokken te zijn, creëren ze een veilig klimaat en winnen ze vertrouwen. Er ontstaat ruimte voor persoonlijke gesprekken over de wereld van de leerlingen.

De centrale vraag van deze aflevering is: ‘Hebben leraren ook een opvoedkundige taak?’. Tijdens een rapportvergadering leggen de docenten hun waarnemingen naast elkaar over de voortgang en het gedrag van de leerlingen. Als er mogelijk iets aan de hand is met een leerling, wordt contact opgenomen met de ouders. “Dan is de driehoek weer compleet”, aldus leraar Bjorn.

Bjorn refereert aan de ‘gouden driehoek’. Deze theorie stelt dat de school naast haar onderwijskundige taak ook een opvoedingstaak heeft – samen met de ouders. Wanneer de relaties binnen deze driehoek in evenwicht zijn, ontstaat een veilige bedding en heeft de leerling optimale groeimogelijkheden. Als de relaties niet in evenwicht zijn, verkleinen deze groeikansen (De dynamische driehoek, Mulligen, 2001).

In ‘100 dagen voor de klas’ verwoordt leraar Bjorn het als volgt: “Empathie is een belangrijke eigenschap die helpt bij het uitoefenen van dit vak. Als je op het gevoel zit, kun je een relatie aangaan – en als je een relatie aangaat, kun je leren. Als je het omgekeerd doet, ga je forceren en krijg je nooit die connectie met de leerling.”

Als de ontwikkeling van een leerling anders verloopt dan verwacht, kan interesse tonen in hun leefwereld -zoals Nicolaas en Tim laten zien- verklaringen geven. Ook door investering in de relatie met de ouders werkt de school aan een evenwichtige driehoek.


Waar doe je het voor?

In de zesde en laatste aflevering loopt het experiment om 100 dagen voor de klas te staan ten einde. Welke ervaringen en inzichten hebben Nicolaas en Tim opgedaan? En zien ze zichzelf in de toekomst nog voor de klas staan?

Tim geeft zijn laatste mentorles, waarin hij leerlingen laat reflecteren op hun stages. Hij moet weer hard werken om de regie te houden en de twijfel over zijn functioneren slaat toe, wat hij niet meer kan verbergen. Toch vindt zijn begeleider dat hij een stuk rustiger lesgaf dan in het begin: “Ik heb je zien groeien van een wat springerig persoon naar iemand met een rustige en zekere uitstraling.”

Nicolaas pakt in zijn havo/vwo-klas nog uit met een debat over de Gouden Eeuw. Zijn begeleider is onder de indruk: “Ik vond het echt fantastisch / echt een betekenisvolle les / dit is wat je wil”. Ook de leerlingen geven veel positieve feedback: “Hij heeft een speciaal plekje in mijn hart / u bent een voorbeeld waar ik nog heel veel van kan leren”.

Ondanks al deze positiviteit is Nicolaas’ eerste reactie als hij terugkijkt op de 100 dagen: “Je komt je zelf enorm tegen. Ik vind het echt véél”. Hij vertelt dat hij zelfs in zijn slaap nog voor de klas stond: “Je bent er echt 24/7 mee bezig”.

  • Als Nicolaas nog wat langer voor de klas zou staan, zou hij zichzelf én de leerlingen eens kunnen uitdagen om maatschappelijke moeilijke of morele lastige situaties te onderzoeken en te bespreken. De struisvogeltool zou hem hierin kunnen helpen. Het biedt een leuke en leerzame manier om te leren reflecteren, te leren luisteren naar elkaar en te leren jezelf goed uit te drukken.

In de periode dat Tim en Nicolaas voor de klas stonden, is duidelijk hun groeiproces te zien. Dat ging van ‘onbewust onbekwaam’, naar ‘bewust onbekwaam’ (het schreeuwen van Tim en het niet rustig krijgen van de klas) tot ‘bewust bekwaam’ (de klas onder controle krijgen en er plezier in hebben – bij Nicolaas). De laatste stap naar ‘onbewust bekwaam’ is een stap die wat meer dan 100 dagen vergt; een stap die Nicolaas wellicht nog gaat zetten.

Met hun experiment van 100 dagen voor de klas gaven Tim en Nicolaas een prachtig inkijkje in het vak van een leraar. Ze vroegen zich vaak af: ‘Waar doe ik dit voor? Al dat harde werken – het lijkt wel topsport – om al die ballen in de lucht te houden…’. Het antwoord dat zij vonden is: de liefde en de passie voor de leerlingen. Dat je écht van betekenis kunt zijn.

 

 

Wij zijn Stichting School & Veiligheid. Wij ondersteunen scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat. Dit doen wij door:

Creëer een sociaal veilige sfeer op school